Sarvastivada
— 3de eeuw B.C —
Sarvastivada was een van de vroege boeddhistische scholen en de sarvāstivādins waren een van de meest invloedrijke boeddhistische kloostergroepen en bloeiden in heel Noord-India, met name Kasjmir en Centraal-Azië, tot de 7e eeuw na Christus.
Sarvāstivāda is een Sanskrietterm die vertaald kan worden als: “de theorie van al wat bestaat”. De Sarvāstivāda stelde dat alle dharma’s (fenomenen) bestaan in het verleden, heden en de toekomst, de “drie tijden”. Vasubandhu’s Abhidharmakośa-bhāsya stelt dat “Hij die het bestaan van de dharma’s van de drie tijdsperioden [verleden, heden en toekomst] bevestigt, wordt beschouwd als een Sarvāstivādin.”
In Kasjmir werd in de tweede eeuw ten tijde van Kanishka de Mahavibhasa Shastra geschreven, die de grondslag zou vormen van Vaibhāṣika. De school stond vooral bekend als een Abhidharma-traditie, met een unieke verzameling van zeven canonieke Abhidharma-teksten.
De orthodoxe Kasjmirse tak van de school stelde de omvangrijke en encyclopedische Abhidharma Mahāvibhāṣa Śāstra samen rond de tijd van de regering van Kanishka (ca. 127-150 n.Chr.). Daarom werden orthodoxe Sarvāstivādins die de doctrines in de Mahāvibhāṣa onderschreven, Vaibhāṣikas genoemd.
Geschiedenis
Volgens K. L. Dhammajoti “staat de aanwezigheid ervan, evenals die van haar rivaal – de Vibhajyavāda-lijn – in de tijd van keizer Aśoka buiten kijf. Aangezien Aśoka regeerde rond 268-232 v.Chr., betekent dit dat het zich in ieder geval tegen het midden van de 3e eeuw v.Chr. al tot een aparte school had ontwikkeld.”
Volgens sommige bronnen kwamen de Sarvāstivādins voort uit de Sthavira Nikāya, een kleine groep conservatieven die zich tijdens het Tweede Boeddhistische Concilie afscheidden van de reformistische meerderheid van de Mahāsāṃghika’s. Volgens dit verhaal werden ze uit Magadha verdreven en verhuisden ze naar Noordwest-India, waar ze de Sarvāstivādin-school ontwikkelden.
Er is discussie geweest over de precieze chronologie van het ontstaan van de Sarvāstivādin-school uit de Sthavira Nikāya. Volgens de Theravādin Dīpavaṃsa ontstonden de Sarvāstivādins uit de oudere Mahīśāsaka-school, maar de Śāriputraparipṛcchā en de Samayabhedoparacanaćakra stellen het tegenovergestelde (d.w.z. dat de Mahīśāsaka juist uit de Sarvāstivāda voortkwamen).
Theravāda-boeddhisten hebben soms beschuldigingen geuit dat de Sarvāstivādins sterk beïnvloed waren door de niet-boeddhistische Sāṅkhya-filosofie. De belangrijke boeddhistische filosoof Aśvaghoṣa, die mogelijk verbonden was met Sarvāstivāda, stelt in zijn invloedrijke Buddhacaritam dat Āḷāra Kālāma, de eerste leraar van de jonge Boeddha, een archaïsche vorm van Sāṅkhya volgde.
Men gelooft dat de Sarvāstivādins de voorlopers waren van de Mūlasarvāstivāda- en Sautrāntika-scholen, hoewel de relatie tussen deze groepen nog niet volledig is vastgesteld. Er wordt gesuggereerd dat sommige yogische Sarvāstivādins, onder invloed van het vroege Mahāyāna-boeddhisme, aanleiding gaven tot Yogācāra, een van de belangrijkste en meest invloedrijke tradities van het Mahāyāna-boeddhisme.
In Centraal-Azië waren historisch gezien verschillende boeddhistische kloostergroepen wijdverbreid. Een aantal geleerden heeft drie verschillende belangrijke fasen van missionaire activiteit in de geschiedenis van het boeddhisme in Centraal-Azië geïdentificeerd, die respectievelijk geassocieerd worden met de Dharmaguptaka, de Sarvāstivāda en de Mūlasarvāstivāda; en de oorsprong van de Sarvāstivāda wordt ook in verband gebracht met Ashoka’s uitzending van Majjhantika (Sanskriet Madhyāntika) op een missie naar Gandhara, waar al vroeg een Sarvāstivādin-aanwezigheid was. Men gelooft dat de Sarvāstivādins op hun beurt de Mūlasarvāstivāda-sekte hebben gesticht, hoewel de relatie tussen deze twee groepen nog niet volledig is vastgesteld. Volgens Prebish “komt deze episode goed overeen met een Sarvāstivādin-traditie die stelt dat Madhyantika de stad Kasjmir bekeerde, die nauwe banden lijkt te hebben met Gandhara.”
Een derde traditie zegt dat een gemeenschap van Sarvāstivādin-monniken in Mathura werd gesticht door de patriarch Upagupta.In de Sarvāstivādin-traditie wordt Upagupta beschouwd als de vijfde patriarch na Mahākaśyapa, Ānanda, Madhyāntika en Śāṇakavāsin; in de Ch’an-traditie wordt hij beschouwd als de vierde.
Filosofie
De Sarvāstivāda betoogde dat alle dharma’s (fenomenen) bestaan in het verleden, het heden en de toekomst, de “drie tijden”.
In Vasubandhu’s Abhidharmakośa-bhāsya staat:
“Hij die het bestaan van de dharma’s van de drie tijdsperioden [verleden, heden en toekomst] bevestigt, wordt beschouwd als een Sarvāstivādin.”
Het wereldbeeld van sarvastivada is atomistisch in de zin dat de dagelijks waarneembare wereld niet werkelijk bestaat, maar is opgebouwd uit ontelbare kleine elementen, de dharma’s. Het zijn alleen deze dharma’s die werkelijk bestaan en ook nog maar voor een enkel discreet moment. Volgens deze momentariteit volgt een dharma direct uit de voorgaande dharma volgens het principe van afhankelijk ontstaan. Volgens dit principe hebben gebeurtenissen voorafgaand aan de meest recente dharma geen invloed meer, evenmin als er geanticipeerd wordt op daaropvolgende gebeurtenissen.
Met dit principe kwamen een aantal problemen. Aangezien het teleologie uitsluit, zou karma niet kunnen bestaan volgens het principe van afhankelijk ontstaan. Ook levert het problemen op bij de observatie van eigen emoties, aangezien observatie en emotie zich beiden in het eigen hoofd afspelen en niet tegelijkertijd kunnen plaatsvinden. Als oplossing bedachten de sarvastivada-boeddhisten dat naast de dharma in het heden ook de dharma’s uit het niet-heden bestonden en daarmee dat er dus een verleden en een toekomst moet zijn. Dit is de positie (vāda) volgens welke alles (sarva) bestaat (asti), wat de naam van de school verklaart. In de Indische traditie van debateren werden deze stellingen verfijnd en aangescherpt, aangezien andere scholen deze leer verwierpen. Zo stelden de sautrantika-boeddhisten dat een reeks van zaden (bija) de oorzaak met het gevolg verbindt. Volgens yogacara wordt de continuïteit gewaarborgd door alaya-vijnana, het causale bewustzijn (vijnana).
Een aparte positie hadden woorden. Waar fysieke en mentale onderwerpen niet werkelijk bestaan, maar zijn opgebouwd uit dharma’s, zijn woorden volgens de sarvastivada-boeddhisten zelf dharma’s en bestaan dus wel. Ze maakten onderscheid tussen drie van dergelijke dharma’s, de namakaya (woord, vooral zelfstandig naamwoord), de padakaya (zin) en de vyanjanakaya (geluid).
Invloed op brahmanisme
Het brahmanisme ontwikkelde mede vanuit deze debattraditie verschillende filosofische scholen (darsana’s), waarbij sarvastivada vooral van belang lijkt te zijn geweest bij de vorming van de vaisheshika-school. Het idee dat het gevolg al aanwezig is in de oorzaak komt bij de samkhya-school terug als satkaryavada. Dit hing samen met stellingen als de pottenbakker maakt een pot. Volgens de satkaryavada is de pot al aanwezig in de klei. Ook bij de advaita vedanta-school van Shankara was dit idee aanwezig.
Het concept ajativada uit de vedanta-school sluit nog dichter aan bij sarvastivada, aangezien het de objectieve werkelijkheid ontkent. Pot is dan ook niet meer dan een woord.
In de nyaya-school ontkende de satkaryavada, met asatkaryavada. De pot bestaat dus niet voordat deze gemaakt wordt.
Discuseren
Sarvastivada ontwikkelde zich in Gandhara waar de Indo-Grieken heersten. Zo kwam het boeddhisme in contact met de hellenistische wereld, wat onder meer blijkt uit Milindapanha, een overgeleverde discussie tussen de boeddhistische Nagasena en koning Menander I. Griekse ideeën zijn niet zozeer terug te vinden in het latere boeddhisme, maar de Griekse invloed lijkt de manier van debatteren te zijn geweest. Dit lijkt ook te volgen uit de bekering van enkele Grieken tot het boeddhisme, waaronder Menander.
Na het verdwijnen van de Grieken bleven de filosofische debatten onderdeel van de hofcultuur. Regelmatig was het de koning die oordeelde wie het debat had gewonnen. Waar onderlinge strijd nog wel eens stagnerend kan werken, stimuleerde deze opzet de deelnemers om hun eigen standpunt te verfijnen en verder te ontwikkelen, zodat kritiek beter gepareerd kon worden. Zo werd innovatie en creativiteit gestimuleerd, niet alleen onder binnen het boeddhisme, maar ook in het jaïnisme en brahmanisme.
Leestijd:

Betekenis: “De theorie van al wat bestaat”.
Sarva = alles/iedereen
Asti = bestaat Vāda = spreken, zeggen, theorie
Filosofie: De dagelijks waarneembare wereld bestaat niet werkelijk, maar is opgebouwd uit ontelbare kleine direct vergankelijke elementen (dharma’s). Naast de dharma in het heden bestaan ook de dharma’s uit het niet-heden en daarmee is er een verleden en een toekomst. Een reeks van zaden (bija) verbind de oorzaak met het gevolg.
Geschriften: Abhidharma
Andere benamingen:
Sarvāstivāda-Vaibhāṣika
Hetuvāda
Yuktivāda
𑀲𑀭𑁆𑀯𑀸𑀲𑁆𑀢𑀺𑀯𑀸𑀤 (Sanskriet)
sarvāstivāda
sabbatthivāda (Pali)
說一切有部< (Mandarijn)
Shuōyīqièyǒu bù (De sekte die spreekt over het bestaan van alles)
